| Het orgel |
|
De periode IJsselstein Het orgel van de Bethelkerk is oorspronkelijk gebouwd door de Utrechtse orgelbouwer Abraham Meere (1761 – 1841). In 1792 bouwt Meere een orgel voor de Rooms-Katholieke schuilkerk aan de Havenstraat in IJsselstein. Het is een éénklaviers instrument zonder pedaal en kent de volgende dispositie: Bourdon 16'Prestant 8'Holpijp 8'Quintadeen 8'Roerfluit 4'Gemshoorn 4'Octaaf 4'Quintfluit 3'Octaaf 2'Woudfluit 2'Cornet 4 sterkFlageolet 1'Mixtuur 3-6 sterk (b/d)Twee blaasbalgen, afsluiting, tremulant en ventiel De Roerfluit 4’ was een Fluit 4’, bestaande uit deels gedekte, roergedekte en open pijpen. De Prestant 8’ was dubbelkorig en de Mixtuur 3-6 sterk had tertskoren. Hoelang Meere het orgel nadien in onderhoud heeft gehad, is niet bekend. Er zijn aanwijzingen dat hij in ieder geval in 1800 nog aan het orgel werkte. In 1845 heeft de schuilkerk een grote onderhoudsbeurt gehad. Uit de kostenspecificatie blijkt dat er ook aan het orgel is gewerkt. In 1887 wordt het orgel door de firma Gabry uit Gouda overgebracht naar de huidige neogotische basiliek in IJsselstein. Het orgel krijgt twee nieuwe blaasbalgen. Kosten fl. 700,-. Waarschijnlijk zijn toen de oude beelden boven op de kas verdwenen. Het oude schuilkerkorgel blijkt in de veel grotere kerk niet te voldoen. In 1907 krijgt de firma Maarschalkerweerd opdracht een nieuw orgel te bouwen en het Meere-orgel te verkopen. Hiervoor wordt een verkoopprijs genoemd van fl. 250,-. Het Meere-orgel wordt verkocht aan een orgelhandelaar, naar later blijkt de firma Mart Vermeulen te Woerden. Het orgel naar Urk De Bethelkerk bezit tot dat moment geen orgel. De samenzang wordt begeleid door een voorzanger. In 1898 bestaat de eerste behoefte aan een orgel, maar de kerkenraad gaat hier niet op in. Zelfs het aanbod van een gratis orgel wordt van de hand gewezen. De behoefte aan een orgel neemt verder toe als de Hervormde gemeente in 1905 zijn eerste orgel krijgt. Op 28 maart 1910 wordt besloten om een orgel aan te schaffen. De kerk raakt in contact met de firma Mart Vermeulen te Woerden. Deze heeft wel wat voor Urk, maar er moet snel beslist worden. Op de Veluwe is ook een kandidaat koper. Hierop wordt tot aankoop overgegaan. Het orgel kost fl. 3.930,-, de beelden op het orgel fl. 35,-. In 1910 wordt het orgel in de Bethelkerk geplaatst. Om dit mogelijk te maken, wordt in de ruimte boven de preekstoel, de ‘bewaarschool’, een nis gebouwd. Dit alles naar het ontwerp van architect Tjeerd Kuipers te Amsterdam. In de nis wordt het orgel gebouwd, rustend op een nieuwe onderbouw met drie zuilen. De werkzaamheden worden uitgevoerd door drie medewerkers van Vermeulen, de heren Wisse, Apeldoorn en Bouwman. Het orgel wordt uitgebreid met een bovenwerk en vrij pedaal. Van de Meereregisters krijgen de Woudfluit 2’ en Gemshoorn 4’ een plaats op het nieuwe bovenwerk. De Mixtuur wordt verkleind tot 2-4 sterk. Hiervoor worden 144 pijpen uitgenomen. Ook het tertskoor verdwijnt. De Cornet wordt als 5 sterk op een verhoogde bank geplaatst. In het front worden de pijpen van de Prestant 8’ vernieuwd. Het blinderingssnijwerk wordt deels verwijderd en vervangen. De uiterste zijvelden worden in tweeën gedeeld. De rechte middenregels van de tussenvelden worden gewijzigd (nu schuin). De twee oude balgen worden vervangen door één grote magazijnbalg met schepbalgen en handpomp, alsmede een grote regulateur-schokbalg. Verder worden aan het bovenwerk twee registers van oudere datum toegevoegd, een Holpijp 8’ en een Fluit 4’. Beiden zijn van hout. Het pijpwerk wordt deels opgeschoven en geherïntoneerd op een hogere winddruk. De klaviatuur, registratuur en speelmechaniek worden vernieuwd. Tenslotte wordt de kas geschilderd in imitatie-eiken. Op 26 januari 1911 wordt het orgel door Vermeulen opgeleverd. Vermeulen geeft 10 jaar garantie op het orgel. De kerk betaalt hem fl. 2.955,- in 1911 en de resterende fl. 1.010,- in 10 jaarlijkse termijnen, inclusief rente. Als het orgel in gebruik wordt genomen, heeft het de volgende dispositie: Hoofdwerk (C-f3) Bourdon 16'Prestant 8'Holpijp 8'Quintadeen 8'Fluit harmoniek 8' (disc.)Octaaf 4'Fluit 4'Quintfluit 3'Octaaf 2'Flageolet 1'Cornet 5 sterk (disc.)Mixtuur 2-4 sterkTrompet 8'Bovenwerk (C-f3) Prestant 8'Holpijp 8'Viola 8'Aeoline 8'Vox celeste 8'Gemshoorn 4'Fluit 4'Woudfluit 2'Vox humana 8'Pedaal (C-d1) Subbas 16'Open bas 8'Octaaf 4'Bazuin 16'Inliggende tremulant bovenwerk, manuaalkoppel en pedaalkoppel hoofdwerk Zeker 10 jaar lang heeft de firma Mart Vermeulen het orgel in onderhoud gehad. In het najaar van 1925 wordt het orgel door de firma Bernard Koch uit Apeldoorn voorzien van zijn eerste windmachine. In 1943 brengen J.M. Vetter en R. Kamp namens de Gereformeerde Organistenvereniging (GOV) een rapport uit over het orgel. De firma J. De Koff te Utrecht brengt een restauratieofferte uit, maar de werkzaamheden kunnen geen doorgang vinden vanwege de oorlog. De eerste restauratie In 1951 brengen J.M. Vetter en A. van der Zee namens de GOV opnieuw een rapport uit. Het orgel verkeert, volgens het rapport, in zeer slechte toestand, is erg vervuild en kent veel houtworm. Aan de firma J.C. Sanders te Utrecht wordt de restauratie opgedragen. Deze vindt plaats in 1952 na afloop van een algehele restauratie van de Bethelkerk zelf. Het orgel wordt geheel gedemonteerd en schoongemaakt. Versleten onderdelen van de mechaniek worden hersteld. Er vinden enkele aanpassingen plaats aan de windvoorziening. Zo krijgt het orgel een nieuwe windmachine en wordt de grote magazijnbalg onder het hoofdwerk naar de achtermuur verplaatst. In plaats hiervan worden nu onder in de orgelkas de grootste pijpen van de Bourdon 16’ gelegd. Deze stonden voorheen als ‘een muur’ opgesteld achter het front. Het bovenwerk wordt iets lager gelegd. Ook de C-lade van het hoofdwerk wordt iets verlegd, zodat een loopplank tussen de C- en Cis-lade mogelijk is. Er komt een nieuw pedaalklavier met een gunstiger positie t.o.v. de klavieren. Het bovenklavier krijgt een eigen pedaalkoppel. Aan het pijpwerk en de dispositie vinden geen grote veranderingen plaats. Beschadigingen aan het pijpwerk worden hersteld. De Mixtuur wordt vergroot tot 3-4 sterk en de pijpen van de Aeoline 8’ worden afgesneden en vermaakt tot Quint 3’. Omdat het bovenwerk iets lager is komen te liggen, worden de grootste pijpen van de Trompet 8’ gekropt. Het bovenwerk krijgt een nieuwe pneumatische tremulant. Tenslotte wordt de orgelkas geschilderd in een donkere okergele (=lichtbruine) kleur. Een zware slag Na de restauratie blijft het orgel in onderhoud bij de firma Sanders en vanaf 1960 bij diens opvolger K.B. Blank, later K.B. Blank & Zn. Eind jaren zestig nemen de klachten over het orgel toe. In de wintermaanden is het orgel soms nauwelijks bespeelbaar. De afstellingsmarge van de mechaniek is gering, mede ingegeven door het aanbrengen van de tweede pedaalkoppel. Hangers en ontstemmingen zijn het gevolg. Vochtophoping en temperatuurschommelingen zijn hier tevens debet aan. De firma W. van den Berg en Wendt te Zwolle brengt een offerte uit voor nieuwbouw. Hierna volgt een advies van de GOV, gemaakt door Joh. van Dommele en Chr. Hanegraaff. Men kraakte het orgeltype. Er was geen klankmenging door de te diepe orgelkas, de tractuur was versleten en de windladen spraken door. De dispositie liet veel te wensen over en het pijpwerk was van slechte kwaliteit. Dat was te dun, telde vele beschadigingen, sprak slecht aan en had een ongelijk toonkarakter. En, omdat het orgel te hoog stond, zou het verplaatst moeten worden naar de achtergalerij! Kortom, men vond dat het orgel vervangen moest worden door een geheel nieuw instrument, opgebouwd uit moderne materialen, die, zo dacht men, beter bestand waren tegen de moderne verwarmingssytemen en een betere garantie waren voor lagere onderhoudskosten. Het advies was sterk ideologisch van aard, de gebreken waren minder erg dan het advies aangaf. Gelukkig besluit de kerkenraad tot restauratie, maar de tijdgeest laat wel zijn sporen na. Het orgel wordt geheel gemoderniseerd, waarbij het meeste oude materiaal m.u.v. de orgelkas en het pijpwerk jammer genoeg verloren gaan. Er wordt een geheel nieuwe windvoorziening aangelegd, waarbij de functie van de grote balg wordt overgenomen door twee kleinere regulateurbalgen, waaronder die uit 1911, en beweegbare bodems in de windladen (zgn. inliggende regulateurs). De windmachine uit 1951 blijft gehandhaafd. Er vinden geen dispositiewijzigingen plaats. Alleen de houten Bazuin 16’ uit 1911 wordt vervangen door koperen bekers. Ook de grootste bekers van de Trompet 8’ worden vervangen. Op Biddag 1970 wordt het orgel weer in gebruik genomen met een bespeling door Jan Bonefaas. De herkomst ontdekt De herkomst van het orgel was op dat moment niet bekend. Daarom stond het orgel niet op de monumentenlijst en kon het gebeuren dat, in historisch perspectief bezien, het instrument zo’n zware slag was toegebracht. Pas als de Bethelkerk in 1981 wordt gerestaureerd en het orgel veiligheidshalve wordt gedemonteerd, ontdekt men de inscriptie “IJsselstein” op een drietal pijpen. Als het orgel weer wordt opgebouwd, wordt het nog eens uitgebreid met drie stemmen: een Fagot 16’ op het hoofdwerk, een Sesquialter 3 sterk op het bovenwerk en een Roerquint 6’ op het pedaal. De stemmen worden op kantslepen geplaatst. Ook wordt het orgel opnieuw geschilderd. Kleurenonderzoek van dhr. Roebers te Vollenhove wijst uit dat de oorspronkelijke kleur van de kas ‘albast’ geweest moet zijn. Het orgel krijgt nu een folkloristische kleurencombinatie met baskisch rood, afgezet met vermiljoen, groene aarde en bladgroen. Het snijwerk wordt geheel verguld. De restauratie van 1987 Na restauratie van de kerk, wordt in 1987 ook het orgel gerestaureerd. Adviseur hierbij is drs. J.J. van der Harst. Net als in 1969 en 1981 worden de werkzaamheden uitgevoerd door de firma Pels & Van Leeuwen. Was de ‘restauratie’ van 1969 voor het overgrote deel mechanisch van aard, de werkzaamheden nu richten zich op het pijpwerk. Jammer genoeg wordt hierbij oud (Meere) pijpwerk vervangen door nieuw materiaal. Zo bevatten de Mixtuur en Cornet op dat moment zowel pijpwerk van Meere, Vermeulen en Sanders. Beiden worden geheel vernieuwd. Hetzelfde geldt voor een deel van de Quintfluit 3’, de Holpijp 8’ (Vermeulen) en de Gemshoorn 4’, die nu in 8-voets ligging op het bovenwerk wordt geplaatst. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een deel van de Prestant 8’ van Vermeulen, die voor het overige deel als een Prestant 4’ verdergaat. Andere dispositiewijzigingen zijn: het verplaatsen van de Flageolet 1’ van hoofdwerk naar bovenwerk en de Viola 8’ van bovenwerk naar hoofdwerk. De Quint 3’ en Quintfluit 3’ ruilen onderling van werk. Nieuwe registers op het hoofdwerk zijn de Sesquialter 2 sterk en op het bovenwerk de Octaaf 2’, Dulciaan 8’ en Carillon 3 sterk. Vier registers keren niet terug: de Sesquialter 3 sterk uit 1982 en uit 1911 de Vox celeste 8’, de Fluit harmoniek 8’ en de Vox humana 8’. In 2001 wordt het orgel in het kader van de nieuwe monumentenregistratie tot monument verklaard. Sinds 2005 is het orgel in onderhoud bij de firma Reil uit Heerde. Momenteel kent het orgel de volgende dispositie: Hoofdwerk (C-f3) Bourdon 16' - 1792/1911Prestant 8' - 1792/1911Holpijp 8' - 1792Quintadeen 8' - 1792Viola 8' - 1911Octaaf 4' - 1972Fluit 4' - 1792Quintfluit 3' - 1911/1952/1987Octaaf 2' - 1792Mixtuur 3-6 sterk - 1987Cornet 4 sterk - 1987Sesquialter 2 sterk - 1987Trompet 8' - 1911/1969Fagot 16'- 1981Bovenwerk (C-f3) Gemshoorn 8'- 1792/1987Prestant 4'- 1911/1987Holpijp 8' - 19e eeuw/1987Quintfluit 3'- 1792/1987Woudfluit 2'- 1792Octaaf 2' - 1987Fluit 4 - 19e eeuwFlageolet 1' - 1792Dulciaan 8' - 1987Carillon 3 sterk - 1987Pedaal (C-d1) Subbas 16' - 1911Open bas 8' - 1911Octaaf 4' - 1911Bazuin 16' - 1911/1969Roerquint 6' - 1981 Tremulant bovenwerk, manuaalkoppel, pedaalkoppel hoofdwerk en pedaalkoppel bovenwerkEen historisch orgel Het orgel in de Bethelkerk kent dus een historische waarde. De kern en de orgelkas zijn van Abraham Meere, evenals de cancellenramen van de hoofdwerkladen, vier pijpstokken en twee pijproosters. Uit 1911 dateren nog de regulateurbalg van het bovenwerk, cancellenramen van de bovenwerk- en pedaallade, de pijpstokken, de pijproosters en de voorslagen met voorslagklemmen, alsmede de meeste pijphangers. Ook de vijf beelden op de orgelkast zijn van 1911. De registerknoppen dateren van 1951, de registerplaatjes zijn van 1987. Het totaal aantal klinkende pijpen is 1.662. Over het orgelfront valt nog op te merken dat de grootste pijpen van de Prestant 8' staan opgesteld in de middentoren en de beide zijtorens. De tussen- en zijvelden bestaan uit niet-sprekende pijpen. Het blinderingssnijwerk in de zijwangen is nog van 1792, het overige van 1911. Op de middentoren staat koning David met zijn harp.
Bronvermelding - Tekst: Jouke Posthumus- Archief Gereformeerde Kerk te Urk- Orgelbeschrijvingen G.H. Broekhuyzen, ca. 1850-1862- De Bethelkerk van Urk, deel II van Urker Uitgaven, 1982- Geschiedenis van de schuilkerk aan de Havenstraat, Stichting Historische Kring IJsselstein, no 96, december 2001- Restauratierapport Stef Tuinstra, 2005/2009 |