Tweets

  • De zomer van 2017 belooft een muzikale zomer te worden. Wees welkom op de volgende woensdagen ( zie foto ). Tot dan! https://t.co/HqzaCuFGKn
  • RT @Kru_Urk: In Dordrecht start de #tentoonstelling ”Great Churches and Organs” met prachtige #aquarel van ons Urke…https://t.co/b03GhN69Ry
  • RT @jacovdhudding: Urk en Barneveld hebben hun kerkorgels uitgeruild als ik het fotobijschrift in @refdag moet geloven. https://t.co/kxBK8H…

Orgel Petrakerk

Naast de Bethelkerk telt de Gereformeerde Kerk van Urk nog twee kerkgebouwen, de Petrakerk (1955) en De Poort (1974/2013). In De Poort staat een elektronisch Monarke-orgel (Intrada) uit 2004. Het orgel in de Petrakerk is in 1957 gebouwd door de firma J.C. Sanders & Zn. te Utrecht. Over dit orgel willen we op deze website ook iets vertellen.

Op 2 juli 1954 besluit de kerkenraad om een orgelcommissie in te stellen met als taak het adviseren van de kerkenraad en de bouwcommissie bij de aanschaf van een orgel in de nieuw te bouwen Petrakerk. De commissie bestaat uit de heren J.H. van Doorn (voorzitter), Rein Bos (lid van de bouwcommissie) en Louwe Kramer en Lourens Metz (organisten). De commissie stelt zich als doel om uit te zien naar “een eenvoudig en degelijk kerkorgel, dat zich goed leent bij de begeleiding van de gemeentezang en dat wordt geplaatst op een open orgelgalerij. Daarnaast moet het een zuiver mechanisch instrument zijn, dat, wat betreft de dispositie, gemaakt moet zijn in de geest van het orgel in de Bethelkerk”.

Vier offertes

De zoektocht levert op korte termijn een viertal offertes op: de firma J.C. Sanders & Zn. te Utrecht, Orgelbouw M. Spiering te Dordrecht, Orgelmaker Willem van Leeuwen Gzn. te Leiderdorp en Rochus van Rumpt van Pels’ Kerkorgelfabrieken te Alkmaar. Op 18 augustus 1954 kan de orgelcommissie al de balans opmaken en een advies uitbrengen aan de bouwcommissie. De vier offertes zijn kenmerkend voor de staat van de orgelbouw op dat moment. De orgelbouw bevindt zich aan het eind van een periode van verval, waarin veelal elektro pneumatische orgels worden gebouwd. Na een bezoek aan de Gereformeerde Kerk van Delfzijl, waarbij de orgelcommissie ziet “hoe het niet moet”, wordt men “verder gesterkt in de gedachte te blijven aansturen op de aanschaffing van een rein mechanisch orgel”. De offertes van Pels en Van Leeuwen schuift de commissie direct terzijde vanuit financiële overwegingen. De offertes van Spiering en Sanders liggen qua prijs heel dicht bij elkaar.

Opdracht aan Sanders

Wat de doorslag geeft om met de firma Sanders & Zn. verder te gaan, is de goede relatie die is opgebouwd met deze firma rond het orgel van de Bethelkerk. De firma Sanders, die voortkomt uit de orgelmakerij Maarschalkerweerd, die op zijn beurt weer voortkwam uit de beroemde orgelmakers Bätz-Witte, is vooral bekend van onderhouds- en restauratiewerkzaamheden aan vele historische orgels in ons land. Zo restaureert men in 1951/1952 het Meere-orgel in de Bethelkerk en verzorgt ook in de jaren daarna het onderhoud. De orgelcommissie adviseert dan ook met deze firma een contract aan te gaan voor de bouw van een mechanisch orgel van 20 stemmen, verdeeld over twee klavieren en een pedaal, voor de prijs van 32.000 gulden. Na enkele overwegingen neemt de bouwcommissie dit advies over en legt het voor aan de kerkenraad. Deze gaat op 10 september 1954 akkoord. Ook wordt besloten dat Ab. van Urk, gemeentesecretaris en organist te Culemborg, en neef van commissielid Van Doorn, tijdens de bouw als toezichthouder zal fungeren bij de werkzaamheden in de fabriek van de firma J.C. Sanders & Zn. te Utrecht.

Op 13 oktober 1954 worden het bestek en het contract van het orgel opgemaakt. Het orgel zal in totaal 1.346 pijpen bevatten en de dispositie is als volgt:

Hoofdwerk (C-g3)  Bovenwerk (C-g3)  Pedaal (C-f1) 
Prestant 8'  Prestant 8'  Subbas 16' 
Roerfluit 8'  Viola di Gamba 8'  Open bas 8' 
Octaaf 4'  Quintadeen 8'  Fagot 16' 
Fluit 4'  Prestant 4'   
Quint 3'  Fluit 4'  Manuaalkoppel 
Octaaf 2'  Gemshoorn 2'  Pedaalkoppel HW 
Mixtuur 2-5 st.   Scherp 3 st.   Pedaalkoppel BW 
Flageolet 1'    Tremulant 

Trompet 8' 

   

In de tussentijd is er contact tussen de firma Sanders en de architect van de Petrakerk, de heer F. v.d. Laan uit Delfzijl. Hierbij wordt gesproken over de technische kant van de plaatsing van het orgel alsook de aanblik van het orgelfront. Op 4 november 1954 stuurt de firma Sanders een ontwerp voor het orgelfront. Dit kan echter niet de goedkeuring van architect Van der Laan hebben. Hij noemt het een “armoedig frontje” en “deze kerk geheel onwaardig”. Besprekingen tussen architect, orgelbouwer en orgelcommissie volgen. Deze verlopen moeizaam en nemen de nodige tijd in beslag. Ook de kerkenraad roert zich in het geheel en stelt daarbij ook vragen over de ervaring die de firma Sanders heeft met nieuwbouw van orgels. Uiteindelijk duurt het tot juli 1955 – dus negen maanden later – voordat er overeenstemming is over het ontwerp van het orgelfront. Als op 16 juli 1955 de Petrakerk officieel in gebruik wordt genomen, is er dus nog geen orgel. De gemeentezang wordt daarom gedurende de eerste tijd begeleidt met behulp van het harmonium, dat is meeverhuisd vanuit de Noorderkerk (de noodkerk die naast de Petrakerk stond). Het betrof een elektrisch harmonium, dat orgelbouwer J.Th. Ruijf te Dedemsvaart in 1949 leverde voor fl. 2.500,-. Als dit harmonium later door de Gereformeerde Kerk van Hattem wordt opgehaald, komt hiervoor in de plaats een trapharmonium bij het voorlezersbordje te staan.

Louwe Kramer achter het harmonium tijdens de ingebruikname van de Petrakerk op 16 juli 1955

De bouw van het orgel

Op zaterdag 10 september 1955 brengt de orgelcommissie een bezoek aan de werkplaats van de firma Sanders in Utrecht. De windladen van hoofdwerk, bovenwerk en pedaal (gemaakt van eiken- en mahoniehout) zijn dan klaar, net als de motor (Meidinger) en blaasbalg en een deel van het pijpwerk. Ook is een start gemaakt met het maken van de klavieren (blank eiken en de toetsen met ivoor belegd en met zwart ebbenhout). De orgelcommissie beziet de vorderingen met tevredenheid en rapporteert dit ook aan de bouwcommissie. Op zaterdag 7 april 1956 wordt een nieuw werkbezoek gebracht. Het orgel staat dan voor het grootste deel opgebouwd in de werkplaats. Het pijpwerk van het pedaal staat al klaar voor verzending naar Urk. Omdat de heer Sanders door ziekte is getroffen, wordt de orgelcommissie rondgeleid door diens meesterknecht, de heer Blank. Blank belooft dat er met “bewame spoed” wordt voortgewerkt aan het orgel, ondanks de personeelsproblemen (naast de ziekte van de heer Sanders moeten enkele knechts in militaire dienst en invallers zijn moeilijk te vinden). De commissie schat in dat medio augustus 1956 de opbouw van het orgel in de Petrakerk kan beginnen. Tot teleurstelling van de commissie wordt echter niets meer van de kant van de firma Sanders vernomen. De commissie reist op 8 september 1956 opnieuw naar Utrecht af en treft nu de heer Sanders zelf. Deze hoopt ondanks de lichamelijke gebreken de intonatie van het orgel zelf te kunnen verzorgen. Ook de al eerder genoemde personeelsproblemen binnen het bedrijf komen in het gesprek aan bod. Deze zorgen voor de vertraging in het proces. De opbouw van het orgel start in november 1956. De medewerkers Bak en Blank zorgen dat drie maanden later alles op zijn plek staat. De balg en motor worden in een aparte ruimte buiten de kerkzaal opgesteld. Het stemmen en intoneren kan nu beginnen. 

Ingebruikname

Op 5 maart 1957 schrijft de heer Oosterhof van de Gereformeerde Organistenvereniging een positief eindrapport over de werkzaamheden. Er is één kritische noot en dat betreft het plafond in de kerk dat akoestisch niet gunstig is voor het orgel. Op 7 maart 1957 wordt het orgel in gebruik genomen. Ook op voorspraak van de predikanten wordt organist Feike Asma door de orgelcommissie bereid gevonden aan de avond mee te werken. De kerkenraad heef hier toch wel moeite mee. Het honorarium van Asma is 100 gulden en de kerkenraad vraagt of de avond niet door eigen gemeenteleden ingevuld kan worden. Toch wil de orgelcommissie graag dat een “beroemde organist als Feike Asma ons de rijkdom van het instrument zou mogen tonen”. De kerkenraad gaat akkoord en aldus geschiedt. Tijdens de ingebruikname, waarbij velen aanwezig zijn, begeleidt Louwe Kramer het eerste psalmvers nog op het harmonium. Daarna speelt Feike Asma het tweede vers en geeft hierna een orgelconcert.

Na afloop van de avond schrijft Feike Asma het volgende: “Dit orgel is werkelijk een prachtig instrument, waarop ik met veel vreugde heb mogen spelen”.

Feike Asma aan de klavieren van het orgel tijdens de ingebruikname op 7 maart 1957. Links van hem ligt op een wit schoteltje de karakteristieke sigaar.

De bouw van het orgel duurt ruim een jaar langer dan de bedoeling was. De uiteindelijke kosten bedragen fl. 34.109,36. De orgelcommissie kijkt met dankbaarheid terug op het resultaat. Maar er zijn ook gemengde gevoelens over het verloop van het proces en de contacten daarin met de orgelbouwer, architect, bouwcommissie en kerkenraad.

De periode die volgt

Na de restauratie blijft het orgel in onderhoud bij de firma Sanders, die al spoedig wordt voortgezet door de heer K.B. Blank en ook K.B. Blank & Zn. gaat heten. Het orgel wordt jaarlijks gestemd en daarbij wordt ook klein onderhoud verricht. Dat de firma Pels & Van Leeuwen in 1969 opdracht krijgt tot restauratie van het orgel in de Bethelkerk leidt ertoe dat zij ook het onderhoud aan het orgel in de Petrakerk overnemen. In de jaren die volgen neemt het onderhoud toe en zijn er ook diverse storingen, zoals hangerij en het niet goed aanspreken van pijpen. Begin jaren tachtig constateert Pels & Van Leeuwen dat de speel- en registertractuur beter afgeregeld moet worden, als ook de koppelmechaniek. Ook zijn de pulpeten in de windladen aan vernieuwing toe. Verder blijkt er binnen de organisten onvrede te zijn over de Scherp 3 st. die onvoldoende mengt met de andere registers. Pels & Van Leeuwen stelt voor de samenstelling en intonatie aan te passen. Ook geeft men, op verzoek van de kerk, de uitbreidingsmogelijkheden van het orgel aan. Op het hoofdwerk en pedaal is hiervoor geen ruimte is de conclusie, waarbij wordt opgemerkt dat dit ook niet noodzakelijk is. Voor het bovenwerk stelt Pels & Van Leeuwen voor een Dulciaan 8’ op een kantsleep toe te voegen.

De restauratie van 1989

Op 4 november 1987 stelt dhr. drs. J.J. van der Harst, die op dat moment ook adviseur is bij de restauratie van het orgel in de Bethelkerk, een uitgebreider rapport op. Van der Harst merkt op dat het orgel, zowel qua aanzien als qua klank, kenmerkend is voor de overgangsperiode in de orgelbouw: van laatromantisch naar neobarok en van elektro pneumatisch naar rein mechanisch. De firma Sanders had weinig ervaring met het maken van soepel lopende mechanieken en dat verklaart ook de onaangename speelaard. Vooral met het vervaardigen van balansklavieren en de gecompliceerde overbrengingen zijn volgens Van der Harst zaken fout gegaan. Verder zijn de windladen lek door ouderdom en de inwerking van de verwarming in de kerk. De windvoorziening is over het algemeen in goede staat. Het orgel is gebouwd als verkleinde uitvoering van het orgel in de Bethelkerk zoals dat er na de restauratie van 1951/1952 uitzag. Van der Harst stelt dan ook een aantal verbeteringen voor in de dispositie. Daarnaast verdient de aanspraak en intonatie van de verschillende registers flinke aandacht.

Twee orgelbouwers worden gevraagd offerte uit te brengen: Pels en Van Leeuwen en Ernst Leeflang B.V. te Apeldoorn. De laatstgenoemde krijgt de opdracht. In het najaar van 1989 starten de werkzaamheden. Deze betreffen een grondige restauratie van alle windladen, het schoonmaken en opnieuw inregelen van de toetsmechanieken en het herïntoneren en stemmen van het orgel. Ook wordt de samenstelling van de Mixtuur gewijzigd (van 2-5 st. naar 3-5 st.). De Flageolet 1’ wordt aangepast naar een Terts 1 3/5, deels door opschuiven deels door bijmaken van pijpwerk. De grootste pijpen van de Trompet 8’, die in het front staan, worden nieuw bijgemaakt en krijgen een plaats op de lade. De Prestant 8’ van het bovenwerk maakt plaats voor een Holpijp 8' (de houten pijpen van het groot octaaf worden hergebruikt). Ook wordt besloten om de Scherp op het bovenwerk te handhaven (en geen tongwerk te plaatsen) maar wel milder te intoneren. De totale kosten zijn 73.710,50 gulden. De werkzaamheden worden zo uitgevoerd dat een gedeelte van het orgel telkens beschikbaar blijft voor de functie in de eredienst. Op donderdag 21 december 1989 wordt het orgel officieel weer in gebruik genomen. Meindert  W. Kramer verzorgt aansluitend een kerstconcert.

Slot

Na de restauratie wordt het orgel jaarlijks onderhouden door de firma Leeflang en, na het opheffen van de firma, door Orgelmakerij Reil uit Heerde. Omdat er onvrede blijft bestaan over de speelmechaniek en de storingen in de tractuur van het bovenwerk en pedaal voert Reil in augustus 2002 nog enkele verbeteringen door. Het orgel van de Petrakerk kenmerkt zich door de mooie zangerige klank. Het is een goed begeleidingsinstrument. In de jaren zestig van de vorige eeuw krijgen kerk en orgel landelijke bekendheid vanwege de uitgave van verschillende LP’s met gemeentezang onder leiding van organist Meindert W. Kramer. In 2005 is het 50-jarig bestaan van de Petrakerk herdacht. Daarbij is ook dit jubileumboekje uitgegeven:

(www.meereorgel.nl/images/stories/documenten/Petrakerkjubileum.pdf). 

Auteur: Jouke Posthumus

Verantwoording: De gegevens zijn afkomstig uit het orgeldossier Petrakerk in het archief van de Gereformeerde Kerk van Urk