Tweets

  • Vanavond 20:00uur begint het orgelconcert door Minne @minneveldman. Wees welkom! Toegang is gratis, wel is er colle… https://t.co/AsXP0w4HP1
  • RT @DeNOP: Concert met orgel en vleugel in Bethelkerk https://t.co/LuP1WsEdM9
  • @laconnetje We hadden het idee om de woensdag erin te houden net als ZidZ. Over het algemeen worden de zaterdagen o… https://t.co/GqHy16YlKu

De restauratie van 2011-2013

De restauratie van 2011-2013 kent een lange aanloop die eigenlijk al begint na de laatste restauratie van het orgel in 1987. Zo moet Pels & Van Leeuwen, die het orgel na de restauratie in onderhoud blijft houden, twee jaar later al een wijziging aanbrengen aan de sleepconstructie van het bovenwerk. Dit valt binnen de garantie van de restauratie.1 Dit betreft ook de werkzaamheden die in 1992 nodig blijken te zijn. De Cornet, Fluit 4’ (hoofdwerk) en Quintfluit 3’ zijn telkens ontstemd. Pels & Van Leeuwen neemt een deel van het pijpwerk mee naar de werkplaats in ’s-Hertogenbosch voor herziening.2 Ook in de jaren daarna blijven de problemen terugkeren. De klachten komen in een stroomversnelling als in 1994 het dak van de Bethelkerk wordt vervangen waarbij ook een isolatiedeken wordt aangebracht. Dit belemmert de natuurlijke ventilatie van het gebouw en is ook nadelig voor het orgel.

Tijdens de generale stemming in september 1999 door de heer Slingerland van Pels & Van Leeuwen maken de organisten een inventarisatie van de problemen. Zo zijn scheuren ontstaan in het leer van de balg van het bovenwerk, de grootste pijpen van de Fagot 16’ zakken door hun voeten, de aluminium walsarmen op het wellenbord van het pedaal knappen geregeld af, bij veel hoedafdichtingen van het pijpwerk is het papier verdroogd wat tot ontstemmingen leidt, er treden hangers op in het bovenwerk, de tremulant laat het geregeld afweten en er zijn veel ontstemmingen, zoals in de Fluit 4’ van het hoofdwerk en de Cornet. Conclusie van de organisten is dat, gezien het uitgangspunt van de restauratie van 1987 om de ontstemmingen tot een minimum te beperken, “bepaald (oud) pijpwerk niet voldoet aan de eis van een goed bespeelbaar instrument”.

Deze opsomming van problemen leidt op 22 februari 2000 tot een bezoek van Rudi van Straten (Monumentenzorg) aan de Bethelkerk. Hierbij zijn ook vertegenwoordigers van de kerk en de gemeente Urk aanwezig. Uitkomst van dit overleg is dat het orgel een aantal terugkerende problemen kent. De registeruitbreidingen die in de loop der jaren zijn gedaan, roepen problemen op. Een samenhang tussen de stemmen ontbreekt. En de klank kan optimaler door de kas ondieper te maken. Er zal een restauratievisie voor het orgel moeten worden ontwikkeld! De kerk benadert de landelijke orgeladviescommissie en dit leidt tot een bezoek en rapport van de heer Anco Ezinga.3 Hij merkt op dat het prestantenplenum, door Meere gebouwd voor een veel kleinere kerk, voor de grotere ruimte in de Bethelkerk niet voldoet. Ook klinkt het orgel niet als een geheel doordat het pijpwerk van verschillende makelij en uit verschillende perioden afkomstig is. Dit betreft ook de gebruikte materialen die niet de juiste afstemming hebben met elkaar. Wat betreft de klachten over de ontstemmingen vraagt de heer Ezinga zich af of de ventilatie en het stookgedrag in de kerk hier ook debet aan zijn. Ezinga legt de kerk twee opties voor: of een algehele restauratie of het optimaliseren van het bestaande. Ezinga kiest zelf voor optie twee. Een algehele restauratie is te ingrijpend waardoor niet voldaan kan worden aan de voorwaarde van de kerk dat het orgel tijdens de werkzaamheden bespeelbaar moet blijven. Ook stelt Ezinga voor dat de ventilatie wordt verbeterd en een onderzoek plaatsvindt naar het stookgedrag.

De restauratiecommissie en adviseur

Op 10 december 2001 worden de Bethelkerk en het orgel in het kader van de nieuwe monumentenregistratie tot monument verklaard. In 2002 komen de zaken rond het orgel in een stroomversnelling. Op 6 september benoemd de kerkenraad een restauratiecommissie bestaande uit Tjeerd Hoekstra (namens de organisten), Bram ten Napel (namens de kerkenraad), Albert Brouwer (namens de Commissie van Beheer) en Roelof Oost (als gemeentelid en deskundige op het gebied van subsidies monumentenzorg).4 Zij krijgen als opdracht het ontwikkelen van een restauratieplan voor het orgel inclusief toekomstvisie. Omdat het orgel een rijksmonument is, wordt in overleg met de huidige Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) een adviseur aangezocht. De keus valt op de heer Stef Tuinstra uit Bedum onder andere vanwege zijn ervaring met de restauratie van het Meere-orgel in de Grote Kerk van Epe in 1994.

Op 12 juni 2003 vindt een eerste gesprek plaats tussen vertegenwoordigers van de kerk, de gemeente Urk en Stef Tuinstra. Op 7 oktober 2003 start Stef Tuinstra met een historisch- en bouwkundig onderzoek. Ook heeft hij op 29 oktober 2003 een onderhoud met de organisten en bezoekt op zondag 9 november 2003 de morgendienst in de Bethelkerk. Onder andere op basis van het archiefonderzoek en het onderzoek ter plaatse wordt de geschiedenis van het orgel in kaart gebracht. Ontstemmingen en mechanische problemen lopen als een rode draad door de geschiedenis heen. Hoofdoorzaken zijn de windvoorziening van het orgel en de klimatologische omstandigheden in de kerk.

Vele gebreken

Het orgel kent daarnaast veel gebreken. Zo is het vervuild doordat de bovenkant van de kas niet goed dicht is (er ligt alleen een stuk plastic overheen). De orgelmotor is versleten. Het toegepaste leer van 1952 en 1969 is verdroogd. De mechaniek van 1969 vertoont grote gebreken (de alumium walsarmen op het wellenbord breken soms spontaan af).

De winddruk is niet conform het advies van Van der Harst uit 1987 (75 mm op gelijk niveau). Het hoofdwerk is 84 mm, bovenwerk 79 mm en pedaal 91 mm. De beweegbare bodems en de kleine regulateurbalgen geven geen consistente winddruk met ontstemmingen als gevolg. Het drukverlies is ‘volstrekt ontoelaatbaar’ bij het volle werk. Tuinstra begrijpt dan ook niet dat dit probleem niet bij eerdere restauraties is verholpen. Verder zijn de toevoegingen in 1982 met drie registers op kantslepen een te forse aanslag op de windvoorraad. De windladen zijn hier niet op gebouwd en berekend. Ook werken de koppels niet goed en de speelaard is taai en zwaar doordat de mechaniek niet goed is ingeregeld. Het pijpwerk is over het algemeen in redelijke tot goede staat.

Toch spreekt een derde van de pijpen niet naar behoren aan vanwege de te hoge winddruk. Meere-orgels zijn juist niet heel sterk van klank, maar hebben wel een natuurlijke draagkracht en zijn heel zangrijk. De klank van het orgel staat dan ook ver af van hoe Meere (en later Vermeulen) het ooit bedoeld heeft. Dit ondanks het feit dat bij de restauratie van 1987 de indruk is gewekt dat dit wel was bereikt. Volgens Tuinstra had het Meerepijpwerk van de Cornet en Mixtuur in 1987 nooit vervangen mogen worden en is het erg te betreuren dat men in 1969 de authentieke windvoorziening en mechanieken heeft verwijderd.

Toch heeft Tuinstra ook begrip voor het feit dat men worstelde met de opzet van het orgel: een Meere-orgel (1792) dat onder Vermeulen (1911) aan een tweede leven begon op Urk, waarbij plaatsing van het orgel in de nis klanktechnisch gezien “een basisfout” is geweest. Wat daarna volgde is “een trieste balans van een halve eeuw met regelmaat werken aan dit orgel. Het is weliswaar gebeurd met veel inzet, idealisme en integere bedoelingen, maar de ware oorzaken van de gebreken zijn nog niet structureel aangepakt geweest. Dit heeft de Urker gemeenschap veel onnodig geld en ergernis gekost.” De restauratiecommissie en de adviseur richten zich daarom ook op een duurzame restauratie. De problemen moeten integraal worden aangepakt en het orgel moet na restauratie tientallen jaren mee kunnen zonder al te veel onderhoudskosten.

Parallel aan het restauratietraject wordt een onderzoek gestart naar de klimatologische omstandigheden in de Bethelkerk. Deze zijn al wel verbeterd sinds de Bethelkerk bij de restauratie van 1981 centrale verwarming heeft gekregen. In eerste instantie besluit de kerkenraad een klimaatbeheersingssysteem in de Bethelkerk aan te leggen.5 Later wordt hiervan afgezien. Vanaf 2004 worden namelijk op diverse plaatsen in de kerk metingen verricht. De resultaten hiervan zijn door ir. Marc Stappers van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in een rapport verwerkt. De kerk voert een aantal aanbevelingen door, waaronder het vervangen van de verwarmingsinstallatie in de Bethelkerk. Uit nieuwe metingen blijkt dat dit een positief effect heeft. Bouwkundige aanpassingen aan de kerk worden niet nodig geacht.

Het eerste adviesrapport

Op 20 juli 2004 presenteert Stef Tuinstra een volledig en uitgebreid restauratierapport. Dit is erop gericht om het orgel weer zoveel mogelijk in overeenstemming te krijgen met Meere’s principes en het materiaal van Vermeulen daarop te laten aansluiten. De windvoorziening en mechaniek moeten worden vernieuwd en het historische pijpwerk vormt de basis voor verdere restauratie. Tuinstra presenteert vijf modellen voor restauratie: A tot en met E, waarbij A het meest ambitieuze is. Hierbij wordt zoveel mogelijk teruggegaan naar Meere, waarbij ook wordt voorgesteld het orgel uit de nis en naar voren te halen. Dit betekent dat ook de preekstoel, kerkenraadsbanken en doophek naar voren opschuiven en zitplaatsen worden geofferd. Vanwege deze ingrijpende bouwkundige ingrepen en de kosten die daarmee gemoeid zijn, acht de restauratiecommissie dit niet realistisch. Bovendien hecht ook de RCE veel architectonische waarde aan de bestaande situatie. Model E is het minst ambitieus en is puur gericht op optimalisatie van de bestaande situatie.

Vanwege omstandigheden binnen de kerk – er ontstaat een scheuring door toetreding van de Gereformeerde Kerk Urk tot de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) – komt het restauratieproject enige tijd stil te liggen. In mei 2005 wordt de draad weer opgepakt. Er vindt een personele wisseling plaats binnen de restauratiecommissie, Jouke Posthumus volgt Tjeerd Hoekstra op. Op 23 mei 2005 vindt een gesprek plaats tussen Stef Tuinstra en een afvaardiging van de organisten en de restauratiecommissie. Gekozen wordt voor een combinatie van model C en D. Tuinstra krijgt de opdracht het restauratieplan hierop toe te spitsen. Op 22 juli 2005 is dit klaar. Het plan komt onder andere op het volgende neer:

  • Het binnenwerk wordt gedemonteerd en naar de werkplaats van de orgelmaker gebracht en hersteld.
  • De kas blijft in de kerk en wordt ter plaatse gerestaureerd. De bovenkant krijgt deels een nieuw dak maar blijft ook deels open doordat een aantal openingen met doek worden afgedicht.
  • De kas wordt in formaat teruggebracht naar de situatie van 1792. Achter de hoofdwerkkas komt een nieuwe pedaalkas.
  • Behoud van het front en de frontpijpen van Vermeulen.
  • Tussen de pilaren in de borstwering wordt met snijwerk een opening gemaakt voor een betere klankuitstraling. Het binnenwerk wordt daarvoor lager geplaatst, waarbij een optie is het bovenwerk als onderpositief te plaatsen.
  • Het orgel krijgt een nieuwe motor en drie nieuwe spaanbalgen naar model van Meere.
  • De huidige kantslepen worden verwijderd. Restauratie van de oude windladen.
  • De register- en speelmechaniek worden vernieuwd in stijl van Meere. Verder nieuwe klavieren en een nieuwe orgelbank. De oude ijzeren registerhevels blijven gehandhaafd.
  • De registerknoppen van 1952 blijven gehandhaafd en worden hersteld.
  • Herstel van het pijpwerk. De opschuivingen uit 1911 blijven gehandhaafd.
  • De Trompet 8’ op het hoofdwerk wordt vernieuwd. De Fagot 16’ wordt vervangen door een Trompet 16’. De Gemshoorn 8’ wordt in 4 voets ligging teruggeplaatst. De Quintfluit 3’ verhuist naar het hoofdwerk en de Quint 3’ naar het bovenwerk.
  • Op het bovenwerk keert de oude Prestant 8’ van Vermeulen terug. Er komt een nieuw Prestant 4’, Fluit travers 8’ en Dulciaan 8’. De Viola di Gamba 8’ verhuist van het hoofdwerk naar het bovenwerk.
  • Op het pedaal komt een nieuwe Bazuin 16’. De Roerquint 6’ maakt plaats voor de oude hoofdwerk Trompet 8’.

De kosten worden door Tuinstra geraamd op € 622.286, waarvan ruim drie ton aan rijkssubsidie kan worden verkregen. De restauratiecommissie zal dit aan de kerkenraad voorleggen.

Ook besluit de restauratiecommissie het onderhoud van het orgel op te dragen aan Orgelmakerij Reil in Heerde (www.reil.nl) en het orgel na drie jaar weer van een generale stembeurt te voorzien. Dit gebeurt op 27 en 28 september 2005 door Wim Wagenaar van Orgelmakerij Reil. Daarbij wordt ook klein onderhoud gepleegd. Verder wordt tinpest aangetroffen in verschillende koppen van de Fagot 16’ en wordt de oorzaak van de hoge winddruk (84 mm) van het hoofdwerk ontdekt. De windlade steunde namelijk niet op de veren, maar op een dwarsbalk daaronder. Dit wordt verholpen en de winddruk van de C lade komt op 79 mm en de Cis lade op 80 mm. Tijdens de generale stemming brengen Han en Hans Reil een bezoek aan het orgel om hun eerste indrukken op te doen.

De restauratiecommissie staat voor de keus om al dan niet over te gaan tot fase twee van het project, het vragen van offertes aan verschillende orgelbouwers. Het zetten van deze stap betekent echter ook dat er uitzicht moet zijn op het daadwerkelijk verlenen van een opdracht tot restauratie. En dat uitzicht ontbreekt omdat geluiden over mogelijke subsidies niet rooskleurig zijn en ook de situatie binnen de kerk speelt mee. De prioriteit zal daarom eerst bij fondsenwerving moeten komen te liggen. De restauratiecommissie stelt zich als doel om binnen vijf jaar het benodigde bedrag bij elkaar te hebben. Er wordt een voorstel voorbereid en op 9 juni 2006 neemt de kerkenraad het principebesluit om binnen 10 jaar het orgel te restaureren. De restauratiecommissie krijgt de opdracht om zowel binnen de kerkelijke gemeente als daarbuiten gericht aan de slag te gaan met fondsenwerving. En dit buiten de kerkelijke begroting om. Na vijf jaar zal hiervan de balans worden opgemaakt. En ondertussen moet het orgel goed bespeelbaar blijven. Daarom wordt in de laatste week van februari 2007 de schokbalg van het bovenwerk uitgenomen en in de werkplaats van Orgelmakerij Reil opnieuw beleerd. Dit vanwege de slechte toestand en het risico van scheuren waardoor het orgel onbespeelbaar zou zijn.6

Het restauratieplan herzien dankzij Montfoort

In januari 2008 wordt Stef Tuinstra door collega-adviseur Cees van der Poel getipt dat het orgel in de Rooms-Katholieke kerk van Montfoort overbodig raakt en dat in dit orgel nog historisch Meere-pijpwerk aanwezig is. De restauratiecommissie kan zijn geluk niet op – meer oud pijpwerk vergroot de mogelijkheden voor subsidie – en onderneemt direct actie. Onderzoek ter plaatse wijst uit dat zich in het Pels-orgel van 1939 tien oude registers bevinden. Zeven hiervan zijn van Meere uit 1805: Prestant 8’ (4 pijpen), Bourdon 16’ (disc.), Holpijp 8’, Fluit travers 8’ (disc.), Fluit 4’, Octaaf 4’ en Octaaf 2’. De Viola di Gamba 8’ is van H.D. Lindsen uit 1847/1850. De andere twee registers (Fluit harmonique 8’ en Vox celeste 8’) dateren van ongeveer 1900. Het pijpwerk blijkt in prima staat te zijn. De restauratiecommissie besluit deze unieke kans niet voorbij te laten gaan en in overleg met het parochiebestuur wordt besloten om de tien registers aan te kopen. Op 26 april 2008 vindt de overdracht plaats, de demontage en het vervoer van de pijpen naar Urk. Hier worden ze opgeslagen op de zolder van de Bethelkerk in afwachting van de restauratie.

De restauratiecommissie gaat ondertussen door met de fondsenwerving. In de drie kerkgebouwen van de Gereformeerde Kerk worden collectebussen opgehangen voor het orgelfonds. Deze zijn gemaakt door Riekelt Romkes en Joop Woord zet ze 'in de lak'.

Er komen giften binnen, particulier en vanuit organisaties. Zo komt het batig saldo van de opheffing van de stichting Irene in 2007 ten goede aan het Bethelorgel. Ook worden folders gedrukt om donateurs te werven onder gemeenteleden, toeristen en bezoekers van de Bethelkerk en zangavonden. Opnames van gemeentezang uit de Petrakerk met organist Meindert W. Kramer uit de jaren zestig van de vorige eeuw worden opnieuw op CD uitgebracht. Op zondag 5 juli 2009 wordt hier in een speciale dienst aandacht aan geschonken, omdat het die dag precies 45 jaar geleden is dat de eerste opnames werden gemaakt. Ook treft de restauratiecommissie de voorbereidingen om in te stromen in de nieuwe BRIM-regeling, er wordt een wijnactie op touw gezet en er worden nieuwe ideeën ontwikkeld om fondsen aan te boren. Ook vanwege al deze werkzaamheden vinden binnen de restauratiecommissie opnieuw personele wisselingen plaats. Bram ten Napel heeft zich teruggetrokken en Henk de Boer en Frits van der Sloot treden toe tot de commissie die verder bestaat uit Albert Brouwer, Roelof Oost en Jouke Posthumus.

Naar aanleiding van de gebeurtenissen in Montfoort wordt het restauratieplan in juni 2009 door Stef Tuinstra aangepast. Een reconstructie van het orgel naar Meere's principes is nu meer dan ooit mogelijk en dit blijkt ook uit het plan:

  • Het gehele orgel wordt gedemonteerd, waarbij ook de orgelkas meegaat naar de werkplaats.
  • In de bijruimte naast het orgel wordt een nieuwe balgruimte gemaakt voor de drie spaanbalgen.
  • De frontpijpen worden vernieuwd naar Meere en de Prestant 8’ wordt weer dubbelkorig gemaakt. Alle tussenvelden worden daarvoor sprekend gemaakt.
  • Ook het snijwerk wordt in stijl van Meere vernieuwd. Het front wordt gemaakt naar voorbeeld van Maarssen (1790).
  • Het huidige bovenwerk wordt geplaatst als onderpositief.
  • Uit windberekeningen moet blijken of de capaciteit van de windladen voldoende is. Zo niet, dan vernieuwen met gebruikmaking van de oude stokken. Voor het pedaal wordt in ieder geval een nieuwe lade gemaakt.
  • Een stelpost voor nieuwe registerknoppen en –stroken in Meerestijl.
  • De opschuivingen van het Meerepijpwerk in 1911 worden ongedaan gemaakt.
  • Op het hoofdwerk wordt zoveel mogelijk het pijpwerk uit 1792 geplaatst, waar nodig aangevuld met nieuw pijpwerk. Zo worden de Sesquialter, Cornet en Mixtuur vernieuwd, waarbij voor de Mixtuur het 2-voets koor uit Montfoort wordt gebruikt.
  • De Fagot 16’ blijft, maar de bekers worden wel vernieuwd. Verder wordt afgezien van het verhuizen van de Quint 3’ en Quintfluit 3’. De Quint 3’ blijft op het hoofdwerk, de Quintfluit 3’ op het nieuwe onderpositief.
  • Op het nieuwe onderpositief komen grosso modo de registers uit Montfoort te staan. Hierdoor keren de oude houten fluiten uit 1911 (Holpijp 8’ en Fluit 4’) niet terug.
  • Het onderpositief wordt ook nog iets uitgebreid door toevoeging van een nieuwe Vox humana 8’ naast een nieuwe Dulciaan 8’ (de oude Dulciaan 8' krijgt in 2017 een plaats op het bovenwerk van het orgel in de Petrakerk op Urk http://www.meereorgel.nl/gereformeerde-kerk-urk/orgel-petrakerk.html)
  • Het pedaal wordt met drie stemmen uitgebreid. Zo krijgt het orgel een Openbas 16' (met gebruikmaking van de oude Open bas 8'). De oude frontpijpen van Vermeulen worden gebruikt voor de Octaaf 8'.
  • De Bazuin 16’ wordt vernieuwd en er komen twee tongwerken bij, een Trompet 8’ en Cornet 4’.

De totale restauratiekosten worden hiermee begroot op € 848.577. Op 12 maart 2010 brengt Orgelmakerij Reil offerte uit voor de werkzaamheden. Op 14 april 2010 dient de restauratiecommissie een verzoek in bij de gemeente Urk voor toekenning van de restauratievergunning. Tevens wordt een formeel subsidieverzoek gedaan bij de RCE, de provincie Flevoland en de gemeente Urk. De gemeente Urk besluit op 10 juni 2010 een subsidie van € 50.000 te beschikking te stellen en daarnaast € 100.000 in de vorm van een laagrentende lening. De restauratiecommissie is inmiddels van samenstelling veranderd. Per 1 juni 2010 is Albert Brouwer teruggetreden, Roelof Oost volgt hem op als voorzitter.

 

De restauratiecommissie (vlnr): Frits van der Sloot, Roelof Tiede Oost, Jouke Posthumus en Henk de Boer

Opdracht tot restauratie

In het najaar van 2010 wordt een voorstel voorbereid over de financiering van het restauratieplan. De fondsenwerving is een geduldige aangelegenheid. Gelukkig ervaart de restauratiecommissie veel steun en enthousiasme, waardoor in ruim vier jaar tijd de nodige beschikbare middelen zijn gevonden. Er resteert dan nog een tekort van ongeveer € 150.000. De restauratiecommissie besluit het tekort te dichten door onderhoudswerk, zoals schilderwerk en elektriciteit, met eigen gemeenteleden uit te voeren. Daarnaast wordt besloten om vijf geplande registers (voorlopig) te reserveren: de Sesquialtera 2 sterk en Fagot 16’ op het hoofdwerk, de Vox humana 8’ op het onderpositief en op het pedaal de Trompet 8’ en Cornet 4’. Mochten de financiële middelen het tussentijds toelaten, dan zullen deze registers alsnog direct bij de oplevering van het orgel worden geplaatst. Na deze bezuinigingen blijft nog een tekort over van € 40.000, waarvoor de restauratiecommissie de financiële middelen nog hoopt te vinden. Het moderamen heeft er op 16 november 2010 alle vertrouwen in dat dit gaat lukken en ook de kerkenraad spreekt dat uit. Op 10 december 2010 gaat zij akkoord met het plan en de begroting. De restauratie kan hierdoor in september 2011 van start gaan op voorwaarde dat de (toegezegde) subsidies ook zijn toegekend. Met adviseur Stef Tuinstra en Orgelmakerij Reil gaat de restauratiecommissie vervolgens in gesprek om de werkplanning en het tijdsbestek door te nemen. De startdatum 12 september 2011 wordt “met potlood” in de agenda gezet.

Op 26 januari 2011 wordt een feestelijke bijeenkomst georganiseerd omdat het die dag precies 100 jaar geleden is dat het Meere-orgel in de Bethelkerk in gebruik werd genomen. Tijdens de bijeenkomst reikt wethouder Visser van de gemeente Urk de restauratievergunning uit. De provincie Flevoland, bij monde van gedeputeerde Van Diessen, zegt een subsidie toe van € 226.000, een besluit dat Provinciale Staten op 27 april 2011 zal bekrachtigen. Motivatie voor dit besluit is de afspraak tussen de regering en de twaalf provincies om geld ter beschikking te stellen om restauratieachterstanden weg te werken en hiermee de economie te stimuleren. En het orgel voldoet bovendien aan de voorwaarde dat naast de overheid ook cultuurfondsen en de Urker gemeenschap hieraan bijdragen. Met deze toezeggingen is aan het gemaakte voorbehoud voldaan.

Op 13 juli 2011 tekent de kerk het contract met Orgelmakerij Reil, op de dag dat de Gereformeerde Kerk van Urk precies 175 jaar bestaat.

Door dit alles kan de restauratiecommissie nu ook aan de slag om verder fondsen te werven. In het voorjaar worden ruim 100 cultuurfondsen in Nederland aangeschreven met het verzoek om een bijdrage. Groot is de vreugde bij de restauratiecommissie dat dit leidt tot vele positieve resultaten ondanks de financiële situatie in het land. Teleurstelling is er ook dat de BRIM-subsidie op 12 mei 2011 door de RCE wordt afgewezen. Aan de Bethelkerk zelf is al subsidie toegekend. De kerk moet deze dan intrekken en een nieuw verzoek indienen voor kerk én orgel. Vanwege de financiële risico’s ziet de restauratiecommissie hiervan af, ook al wordt nog wel bezwaar aangetekend tegen de afwijzing. Op 20 juni 2011 vindt overleg plaats met adviseur Stef Tuinstra en Hans Reil, waarbij de puntjes op de i worden gezet, zowel in planning als wat betreft de financiën. De werkzaamheden starten 12 september 2011. Oplevering moet gebeuren voor 1 juni 2013.

Afscheid van het oude orgel

De restauratiecommissie besluit om op een goede manier afscheid te nemen van het ‘oude orgel’. Op 12 februari 2011, als ook het evenement “Urk in Wintersferen” wordt gehouden, is de Bethelkerk geopend en wordt een “Meerethon” gehouden. Ruim 50 organisten uit het hele land wisselen elkaar gedurende de dag af, wat symbool staat om het gerestaureerde orgel straks weer door te geven aan de volgende generaties. De organisten variëren van jong tot oud, van leerlingen aan de muziekschool tot afgestudeerde Masters aan de Conservatoria, van amateur- tot beroepsorganist, van Urkers tot gasten van buiten Urk, van predikant tot ondernemer, van Gereformeerd tot allerlei andere kerkgenootschappen; het werd een groots orgelfeest. Bijzonder daarbij was de medewerking van Berdien Stenberg met de dwarsfluit. Zij is een kleindochter van de oud-burgemeester van Urk (Schipper) en wilde haar warme herinneringen en betrokkenheid met Urk hiermee graag onderstrepen. In de kerk wordt koffie en thee verkocht en speciale Abraham Meere Mosterdsoep. De dag wordt afgesloten met een concert door de Urker Zangers.

Op vrijdag 9 september 2011 vindt een afscheidsconcert plaats door de Urker organisten Rienk Bakker, Minne Veldman en Jaap Kramer. De drie musici (‘musketiers op de klavieren’) hadden er zin in, en dat was te merken! Jaap Kramer opende het concert met twee werken van Klaas Jan Mulder, eerst de Fantasie over Psalm 43 gevolgd door Fuga en Koraal over Psalm 124. Minne Veldman vervolgde met een Toccatine over Psalm 99 van Willem Hendrik Zwart en The Arrival of the Queen of Sheba van G.F. Händel. Nog een werk van Händel, het Hornpipe uit 'Water-Music', kwam terug in een bewerking van Jan Mulder over 'k Wil U o God mijn dank betalen, gespeeld door Jaap Kramer. De avond moest toegankelijk zijn voor vele orgelliefhebbers en dat werd het ook. Het Meere-orgel liet zich hierbij nog één keer van zijn beste kant zien. Jaap Kramer speelde Solfeggio in c-moll van C.F.E. Bach. Rienk Bakker nam het stokje over met Sonate in d-moll, opus 65.6 ('Vater unser in Himmelreich') van Mendelssohn Bartholdy en 'Nun danket alle Gott' (uit: Choral-Improvationen, opus 65) van Karg-Elert. Minne Veldman sloot af met Cantilène (Th. Salomé), de Toccata van Th. Dubois en een eigen Fantasie over 'Wat de toekomst brengen moge'. De avond werd afgesloten met het zingen van Psalm 150, 'Laat zich 't orgel overal', door Minne Veldman ingeleid met een Toccata (vrij naar N.J. Lemmens). Voorafgaand werd een collecte gehouden, deze bracht bijna € 1000, - op voor het restauratiefonds! De concertavond, en de gemeentezang op zondag 4 september 2011, is opgenomen en later op CD uitgebracht.

Drie dagen later is het dan zover. Even na 9.00 uur demonteerde Han Reil de eerste pijp, de a0 van de Fagot 16' en overhandigde deze aan Jouke Posthumus, waarmee symbolisch de omvangrijke restauratie van start is gegaan. Aan het eind van de middag was al het pijpwerk van het hoofdwerk en een deel van het pedaal gedemonteerd. De rest van het pijpwerk volgt twee dagen later. Alle ruim 1.600 pijpen, met uitzondering van de frontpijpen, zijn dan uitgenomen en naar de werkplaats in Heerde gebracht. Een bijna lege orgelkas, even wennen……

In Heerde worden alle pijpen stuk voor stuk onderzocht, waarna kan worden aangegeven welke pijpen worden gerestaureerd en welke nieuw bijgemaakt gaan worden. Dit gebeurt heel gedetailleerd en kost de nodige tijd. Er worden ook ontdekkingen gedaan. Zo wordt op de F van de Octaaf 4’ uit Montfoort de inscriptie aangetroffen “prestant 8v culemb”. Verder blijken verschillende pijpen uit de Prestant 8’, Octaaf 4’ en Octaaf 2’ van Meere door elkaar te zijn gezet. In de Prestant 8’ worden verschillende binnenpijpen uit de oude Octaaf 4’ aangetroffen en ook vijf pijpen uit de oude Mixtuur. Bij de restauratie zal alles weer op de oorspronkelijke plek worden gezet.

De resultaten van de inventarisatie worden besproken op 23 januari 2012 in een overleg tussen Han en Hans Reil, Stef Tuinstra en de restauratiecommissie. Als eerste wordt besloten de, inmiddels vier, grote spaanbalgen niet naast het orgel te situeren, maar een aparte balgenruimte te maken op de torenzolder, pal achter de achtermuur van de orgelkamer. Hiervoor wordt een nieuwe vloer gemaakt. Vanwege deze grotere ruimte kan alles tot in de kleinste details volgens Meere worden gemaakt (incl. balgtreden). De balgen van Vlaardingen dienen als uitgangspunt voor de buitenmaat, die van Twello en Sommelsdijk voor de detaillering.

 

In de tweede plaats wordt het restauratieplan verfijnd. Het oude 2-voets koor uit Montfoort wordt niet gebruikt voor de Mixtuur, maar voor de Sesquialter. De Viola di Gamba 8’ uit 1911 kan toch behouden blijven. De Viola di Gamba 8’ van Lindsen zal als Unda Maris 8’ op het onderpositief geplaatst worden. De Bourdon 16’ en de vier pijpen van de Prestant 8’ uit Montfoort kunnen nergens worden geplaatst en blijven dus over. Verder zullen alle tongwerken nieuw gemaakt worden in latere Meere-factuur: metalen stevels met ingelaten metalen koppen voor een krachtiger/uitbundiger toon en stabiele stemming (invloed van Heineman op Meere). Utrecht en Sommelsdijk dienen als voorbeeld, maar ter oriëntatie worden ook de tongwerken van de Stevenskerk in Nijmegen bestudeerd. Er komen drie geheel nieuwe windladen, de toonhoogte wordt 438-440 Hz. en de stemming wordt Neidhardt II. Dit laatste leidt tot de nodige discussie maar de restauratiecommissie laat zich door Stef Tuinstra en Hans Reil overtuigen van nut en noodzaak hiervan (in 2014 wordt door het College van Kerkrentmeesters alsnog besloten tot aanpassing naar de 'Tuinstra stemming').7 Tenslotte is er meer goed nieuws. In eerste instantie moesten in het plan vijf ‘adoptieregisters’ worden gereserveerd. Maar omdat uit financiering dusdanig vertrouwen spreekt, geeft het College van Kerkrentmeesters aan de restauratiecommissie toestemming de restauratie in één keer uit te voeren!

Op 26, 27 en 28 maart 2012 worden ook de frontpijpen en de orgelkas gedemonteerd en meegenomen naar de werkplaats in Heerde.

 

De restauratiewerkzaamheden

Op 28 juni 2012 brengt de restauratiecommissie een bezoek aan Heerde om samen met Orgelmakerij Reil en adviseur Stef Tuinstra de voortgang van de werkzaamheden te bespreken. Op dat moment wordt druk gewerkt aan de restauratie van het pijpwerk en het bijmaken van de nieuwe registers, zoals de Cornet en de tongwerken. Ook is men bezig met het tekenwerk voor de mechaniek. De nieuwe windlade voor het pedaal is half klaar en met het maken van de nieuwe pedaalkast is een begin gemaakt. Na de zomervakantie wordt begonnen aan de windladen van het hoofdwerk en onderpositief, de klaviatuur en de register- en speelmechaniek.

Besloten wordt om vanwege de klankuitstraling boven de pedaalkas een klankbord te maken. Er worden ook afspraken gemaakt over het schilderwerk. Stef Tuinstra en Hans Reil voelen er op zich wel voor het orgel weer de oorspronkelijke witte kleur (albast) te geven. De restauratiecommissie houdt echter vast aan de bestaande kleuren. In 1981, toen de Bethelkerk werd gerestaureerd, is uitgebreid kleurenonderzoek gedaan door dhr. Roebers. Orgel en interieur zijn toen op elkaar afgestemd en dat blijft ook zo. De pedaalkas krijgt wel een witte kleur omdat deze dan ‘voor het oog’ wegvalt tegen de witte muur. In het najaar start schildersbedrijf Coenen al met de voorbereidende werkzaamheden in de werkplaats in Heerde. De nieuwe pedaalkas wordt alvast in de grondverf gezet en hetzelfde geldt voor de nieuwe delen van de hoofdwerkkas. Ook wordt een groot deel van het lof- en snijwerk vernieuwd en zal later met bladgoud worden verguld. De resultaten zijn te zien als een groep gemeenteleden op 1 december 2012 de werkplaats bezoekt en een rondleiding krijgt. De beide kassen staan dan al opgesteld. De pedaallade is geplaatst en aan de mechaniek wordt druk gewerkt.

Hierna gaat de laatste fase in de werkplaats in. De balgen worden geplaatst, de motor wordt op het orgel aangesloten en de intonatie kan beginnen, pijp voor pijp. Eerst wordt het gerestaureerde pijpwerk van het pedaal geplaatst met als laatste de tongwerken op hun metalen stevels. Het is prachtig om de nieuwe krachtige Bazuin 16’ te horen en de warme klank van de Open bas 16’! Verder krijgt het orgel weer zijn vertrouwde gezicht terug nadat de frontpijpen en de klavieren zijn geplaatst. Ook de mooie klassieke lessenaar mag er trouwens zijn. Na het pedaal volgt begin 2013 de plaatsing van de pijpen op het onderpositief, zoals de bekende Quintfluit 3’ en Woudfluit 2’ en het Meerepijpwerk uit 1805 uit Montfoort. Daarna wordt de lade van het hoofdwerk gevuld en gestemd. Hier staan de meeste registers uit het oorspronkelijke Meere-orgel van 1792. De dubbelkorige Prestant 8', de Holpijp 8', de Quitadena 8', Octaaf 4' en de Gemshoorn 4' hebben hun plaats weer ingenomen. De nieuwe Cornet 4 sterk staat stoer te zijn op de verhoogde bank. De klankkleur van het orgel wordt langzamerhand steeds meer duidelijk en geeft momenten van kippenvel en ontroering. En wat een vakmanschap daar in de werkplaats van Reil!

Op 19 februari 2013 brengt Stef Tuinstra een tussenrapportage uit en worden ook de laatste details bepaald. De grootste pijpen van de nieuwe Openbas 16’ worden in de pedaalkas geplaatst (en niet vlak daarbuiten), waardoor de pedaal nu iets breder wordt. Met uitzondering van de Holpijp 8’ van het onderpositief komen er geen bas/discant indelingen. Afkomend pijpmateriaal uit het oude orgel zal voorlopig door Reil worden bewaard, mocht de restauratiecommissie daar later nog plannen voor hebben. Het dak van de balgenzolder wordt geïsoleerd en er komt een luchtaanzuigkanaal naar de kerk. Hierdoor heeft de wind in het orgel ongeveer dezelfde temperatuur als in de kerk. Ook wordt getracht de warme lucht uit de kerk via de balgenzolder af te voeren. Vanwege de klankuitstraling wordt nog gesproken over een glazen wand op de orgelkamer achter de speeltafel. Uit financiële overwegingen ziet de kerk hiervan af. Wel wordt een nieuwe toegangsdeur gemaakt bij de speeltafel gemaakt, zodat bezoekers van de orgelkamer niet telkens tussen de twee orgelkassen hoeven door te lopen.

De terugkeer van het orgel naar Urk

Op maandag 4 maart 2013 is het dan zover, de terugkeer van het orgel in de Bethelkerk! Maar eerst moeten nog wat voorbereidende werkzaamheden plaatsvinden. Gelukkig zijn een aantal vrijwilligers telkens bereid de restauratiecommissie hierbij helpen. Zo wordt de orgelkamer schoongemaakt en op de torenzolder worden door Harm Oost de laatste bouwkundige voorzieningen getroffen voor het plaatsen van de vier grote balgen, zeg maar de longen van het orgel. Ook wordt de orgelvloer nog constructief beoordeeld op basis van de nieuwe situatie.

In de loop van de ochtend arriveert de vrachtauto en is de Bethelkerk binnen de kortste keren één aanblik van diverse orgelonderdelen. Deze worden vervolgens één voor één naar boven gebracht en getakeld. Eerst de pedaalkas, dan de hoofdwerkkas en vervolgens het terugplaatsen van de speeltafel. Ook worden de windladen één voor één in het orgel geplaatst en kan worden begonnen met de aanleg van de mechaniek in het orgel en Gerrit Barends en zijn mannen zorgen voor de aanleg van de elektriciteit. Eind van de week is de vertrouwde aanblik van het orgel weer enigszins terug.

Een week later is het de beurt aan de schilder. Hiervoor wordt een grote steiger opgebouwd. De kerkenraad moet hiervoor tijdelijke de kerkenraadsbanken verlaten en op de stoelen plaatsnemen. Inmiddels is ook de verflucht in de kerk goed merkbaar en heeft het orgel zijn vertrouwde ‘Urker kleuren’ weer terug. Dankzij de inzet van Coenen en in het bijzonder Dirk Woord die dit grotendeels in zijn vrije tijd voor de kerk doet!

Ook is de windvoorziening van het orgel getest en zijn de beelden schoongemaakt en staan weer op het orgel. Het orgel is dan grotendeels klaar in afwachting van het plaatsen van die vele verschillende orgelpijpen. En die pijpen komen direct na Pasen. Op woensdag 3 april 2013 om 9.15 uur arriveert de vrachtauto uit Heerde met alle orgelpijpen. De pijpen worden vervolgens door vrijwilligers stuk voor stuk en in kisten naar binnen gebracht. Eind van de morgen kunnen de frontpijpen al worden geplaatst, net als het lof- en snijwerk. En het blinkt allemaal prachtig!

En dan volgt een dag later de intonatie. Met een computergestuurd systeem kan intoneur Jan Koelewijn vanuit de kerk de toetsen indrukken en het geluid daar goed horen. Collega Henk v.d. Veen verricht de intonatie/stemming in het orgel zelf.

In de week daarna gaan de werkzaamheden door. Telkens worden de nieuwe pijpen bijgeplaatst, gestemd en geïntoneerd. Eerst alle labiaalregisters en als laatste de tongwerken.

Op 11 april 2013 is er een inloop voor belangstellenden en klinkt veel waardering voor de eerste vernieuwde klanken en al het werk wat is gedaan.

En een week later zijn de organisten aan de beurt om voor het eerst kennis te maken met het vernieuwde orgel.

En ondertussen worden de laatste details bepaald, zoals het deels afsluiten van de panelen aan de achterzijde van de hoofdwerkkas. Ook het lof- en snijwerk wordt vernieuwd door Marius van Wijk uit Eefde. Het orgelfront van Maarssen (Meere, 1790) dient hierbij als voorbeeld.

Ook de muziekinstrumenten (Meere, 1792) aan weerszijden van de orgelkas worden onder handen genomen. Ze staan symbool voor het feit dat het orgel net een orkest is en ook die verschillende klankkleuren in zich heeft.

En zo werkt alles toe naar de datum van zaterdag 1 juni 2013, een spannende dag. De dag dat ons Meere-orgel weer in gebruik wordt genomen na een restauratie van bijna twee jaar. We mogen terugkijken op een heel mooie avond met momenten van ontroering, waardering en een vleugje humor. Hierbij de geluidsopname van de avond en de liturgie. Ook hebben we een filmpje laten zien waarin we als commissie aan de hand van de geschiedenis op zoek zijn gegaan naar de ziel van het orgel, de wind (balgen). Bekijk hier het filmpje. Mooi om de vernieuwde klanken te beluisteren en het orgel weer te horen spelen tijdens het begeleiden van de gemeentezang. Dat gold voor die avond maar ook een dag later tijdens de zondagse erediensten. Waardering klonk alom voor de klank, het prachtige orgelfront, ons Meere-magazine en al het werk wat is gedaan om tot dit resultaat te komen. Langs deze weg zeggen we iedereen die daar een bijdrage aan heeft geleverd hartelijk dank! Zonder al die inzet en vrijwilligerswerk hadden we het niet gekund. En we zijn natuurlijk ook erg dankbaar voor alle getoonde belangstelling. Dat er zoveel mensen in de Bethelkerk waren tijdens de ingebruiknameavond overtrof onze verwachtingen en heeft ons erg goed gedaan! En dat gold ook voor de open dag een week later. Iedereen die het orgel wilde bespelen en beluisteren was welkom en velen maakten hiervan dankbaar gebruik. Een teken dat het orgel leeft, op Urk maar zeker ook daarbuiten.

Op vrijdag 7 juni 2013 doet de restauratiecommissie eindverslag aan de kerkenraad. De restauratie heeft in totaal 732.000 euro gekost. Daar staan tegenover de inkomsten, onder andere uit subsidies. Maar ook hebben de giften en de collectebussen achterin de kerken 290.000 euro opgebracht. Iets waar we alleen maar dankbaar voor kunnen zijn. De totale inkomsten bedragen 746.000 euro. Dit is inclusief een laagrentende lening waarvan nog 86.000 euro resteert die we in 25 jaar tijd mogen aflossen. We willen dan ook in de komende tijd geld blijven inzamelen, o.a. door activiteiten te organiseren, en ook giften blijven welkom om dit prachtige instrument ook in de komende jaren in stand te houden!

Auteur: Jouke Posthumus

Noten:

  1. Zie nota Pels & Van Leeuwen 30 juni 1988 (bron: archief Gereformeerde Kerk Urk)
  2. Zie brief Pels & Van Leeuwen 27 november 1992 (bron: archief Gereformeerde Kerk Urk)
  3. Rapport van 31 mei 2001
  4. Brief van CvB aan breed moderamen van 12 juni 2002
  5. Besluit van 27 april 2001
  6. Zie offerte Reil 30 oktober 2006
  7. Advies stemming Meere-orgel Bethelkerk, Stef Tuinstra, 11 december 2013