Tweets

  • Vanavond 20:00uur begint het orgelconcert door Minne @minneveldman. Wees welkom! Toegang is gratis, wel is er colle… https://t.co/AsXP0w4HP1
  • RT @DeNOP: Concert met orgel en vleugel in Bethelkerk https://t.co/LuP1WsEdM9
  • @laconnetje We hadden het idee om de woensdag erin te houden net als ZidZ. Over het algemeen worden de zaterdagen o… https://t.co/GqHy16YlKu

Abraham Meere (1761-1841)

Abraham Meere wordt in 1761 geboren als oudste zoon van Arnoldus Meere en Jannigje van Eck. Zijn vader was van beroep geweermaker en koperslager. De doopbediening vindt plaats op 19 januari in de Jacobikerk van Utrecht. Op 12 april 1782 wordt hij ingeschreven als lidmaat van de Nederduits-Gereformeerde Kerk te Utrecht. Abraham woont dan in de Lijsbethstraat. Op 13 februari 1784 trouwt Abraham Meere onder huwelijkse voorwaarden in Tull en ’t Waal met Catharina Hoogbetrum. Haar vader, Bernardus van Hoogbetrum, was grutter van beroep en later tapper in de Potterstraat te Utrecht. Hij had er een herberg, De Gekroonde Pot, aan de Neude, hoek Potterstraat. Abraham en Catharina krijgen samen vier zonen. Catharina overlijdt in 1823. Zes jaar later hertrouwt Abraham Meere met zijn schoonzuster, Margarita Ruitenberg, die weduwe was geworden van Willem Hoogbetrum.

Op 18-jarige leeftijd komt Abraham Meere in aanraking met het orgelmakersvak. Op 9 juni 1779 adverteert hij in de Utrechtse Courant met een “fraai geboend eiken kabinetorgel”. Het bestaat uit:

Holpijp 8'
Fluit 4'
Octaaf 4'
Octaaf 2'
Quint 1 1/3 (half register)

Vox Humana 8' (half register)

In deze begintijd moet Meere concurreren met de beroemde orgelmakerij Bätz die ook in Utrecht is gevestigd. Meere verwerft een goede naam en het lukt hem een aantal grote opdrachten voor de neus van Bätz weg te kapen. Samen met orgelbouwer Johan Hendrik Michel huurt hij een pand ZZ Buurkerkhof, vermoedelijk als werkplaats. Kennelijk gaan de zaken goed want in 1792 koopt hij het stadskasteel Groot Blankenburg aan de Oudegracht in Utrecht. Het huis heeft vier verdiepingen, een kelder en een kap. Hier woont hij met vrouw en kinderen (en dienstbodes en later ook enkele familieleden). De kelder verhuurt hij aan wijnkoper Meers. Vandaag de dag is op dit adres boekhandel en antiquariaat De Slegte gevestigd.

Abraham Meere overlijdt op 11 november 1841 “des namiddags ten half vijf uren” in Utrecht op 80-jarige leeftijd. Een jaar later wordt het huis voor f 10.500,- verkocht, terwijl de inboedel op f 16.824,10 wordt geschat. Een niet gering bedrag in die tijd.

Meere bouwt, verbouwt en onderhoudt orgels verspreid over heel Nederland. Ook verkoopt en verhuurt hij piano’s. Zijn eerste kerkorgel bouwt hij in 1786 voor de R.K. Sint Vituskerk in Hilversum. Helaas is dit orgel, net als veel Meere-orgels, verloren gegaan. Slechts enkele zijn nog bewaard gebleven. Het orgel dat Meere in 1787 bouwt voor Beusichem staat thans in gewijzigde vorm in Zuidlaren.

Ook het in 1806 voor Echteld voltooide orgel is niet meer in de oorspronkelijke staat, net als het orgel dat in 1803 werd gemaakt voor Vianen. Hiervan rest alleen nog de kas.

Een deel van het binnenwerk uit Vianen is in 1994 door Orgelmakerij Reil uit Heerde gebruikt voor de reconstructie van het orgel in Epe (1809).

Maar er zijn gelukkig ook orgels die vrijwel onaangetast zijn gebleven, zoals het orgel in Noordwijk aan Zee (1817, oorspronkelijk gebouwd voor de doopsgezinde kerk in Deventer).

Hetzelfde geldt voor de orgels in Maarssen (1790), Poortvliet (1806) en Sommelsdijk (1821). Dit laatste orgel wordt gebouwd als Meere zijn hoogtijdagen beleeft en diverse grote(re) opdrachten ontvangt. Zo voert hij in de periode 1819-1823 werkzaamheden uit aan het orgel in de Jacobikerk in Utrecht, de kerk waar hij is gedoopt. Het orgel krijgt onder andere een rugpositief en een nieuw oxaal.

In dezelfde periode verzorgt Meere de overplaatsing van het Van Peteghem-orgel vanuit Gent naar de Grote Kerk van Vlaardingen. Hij maakt hierbij nieuwe kassen voor het orgel en plaatst een bovenwerk.

En ook het werk aan het orgel in de Sint Laurenskerk in Rotterdam, het tot dan toe grootste orgel van Nederland dat bij het bombardement in 1940 verloren is gegaan, neemt meerdere jaren in beslag. In de periode 1821-1828 werkt Meere daar aan de bouw van een nieuw drieklaviers-orgel met gebruikmaking van pijpwerk van het oude Wolfferts-orgel uit 1792.



Meere is een meester in de kasafwerking en het schilderwerk. Zijn bestekken, zoals in Epe, zijn gedetailleerd wat betreft de kleurstellingen. En op de grootste houten pijp schildert Meere in Sommelsdijk en in Epe fijnzinnig de bouwgeschiedenis van het instrument. De stijl van zijn kassen is in eerste instantie weelderig zoals in Maarssen (1790) met een overdaad aan ornamentiek en breed uitgevoerd blinderingssnijwerk boven de tussenvelden. Dit orgelfront heeft overigens de meeste gelijkenis met het orgel in de Bethelkerk op Urk (1792, oorspronkelijk gebouwd voor de R.K. schuilkerk in IJsselstein) dat in dezelfde periode werd gebouwd.

Later krijgt de soberheid van de Empire-stijl meer de overhand in Meere’s werk. Karakteristiek zijn de niet gewelfde, dubbele tussenvelden en de rechthoekige console onder de middentoren, zoals bij het orgel van de Jacobikerk in Utrecht (1823). Af en toe maakt de strengheid toch weer plaats voor meer uitbundigheid, zoals te zien valt aan het blinderingssnijwerk in Epe (1809) en Twello (1819).

De zijtorens van Meere hebben rondingen. Poortvliet (1806) heeft zelfs een voor Meere’s begrippen buitenissige ronding (met lagere pijpvoeten) in de middentoren. Ook de fraaie, half in de zijwangen wegdraaiende zijvelden zijn hier voor Meere uniek.

Meere bouwt meestal balustrade-orgels met de klaviatuur aan de zijkant, aangehangen pedaal en indien er een tweede klavier is, is dit veelal een bovenwerk. Dit laatste laat Meere ook duidelijk zien in het orgel van Sommelsdijk (1821) door de middentoren horizontaal in twee pijpenkolommen te verdelen.

Meere’s orgels zijn karakteristiek en hij verandert zijn bouwwijze niet. Hij wilde zich op die manier onderscheiden van zijn grote collega Bätz. Zo is Meere’s pijpwerk meestal dunwandig met een aparte legering van het orgelmetaal (3/4 deel lood en 1/4 deel tin), lage opsneden en weinig wind. De frontpijpen zijn geheel van tin. Meere hield niet van zware, lage tonen, maar meer van een kleurende klank. Hij heeft een liefde voor de tertskleur. Zo gebruikt hij niet alleen registers als de Cornet en de Sexquialter, maar neemt hij veelal ook tertsen op in de Mixtuur. Verder past hij galante fluitstemmen toe zoals de Quintadeen, een speels 1-voets register als de Flageolet en imitatieregisters als de Fluit Travers en het Carillon. Het gebruik van een Gemshoorn 4' naast een Roerfluit 4' is bij Meere gewoon, net als de vaste registercombinatie Vox humana 8' - Carillon III - Flageolet 1' op het bovenwerk.

Naast Abraham Meere werkt ook zijn broer Arnoldus (1765-1846) in de zaak, evenals twee van Meere’s zonen, Abraham (1784-1827) en Arnoldus Jacobus (1798-1824). De laatstgenoemde overlijdt op 35-jarige leeftijd wegens ziekte. De oudste zoon Abraham verongelukt tijdens de bouw aan het orgel van de Laurenskerk in Rotterdam. Na 1830 beginnen de werkzaamheden voor Meere sterk terug te lopen. Waarom is niet bekend, maar wat een rol kan hebben gespeeld is dat Meere meer last kreeg van concurrent Bätz. Hier heeft Jonathan Bätz zijn oom Gideon Thomas opgevolgd en dat zorgt voor een vlucht van zijn bedrijf. Ook kan meespelen dat twee van Meere’s meesterknechten, Wander Beekes (1795-1838) en Henricus Dominicus Lindsen (1794-1860), zich inmiddels ook in Utrecht hebben gevestigd als zelfstandig orgelmaker. Beekes’ belangrijkste werk is het orgel van Naaldwijk (1831), dat qua uiterlijk ook sterk lijkt op het fronttype dat Meere toepaste in die tijd. Lindsen is veelal werkzaam in Rooms-Katholieke Kerken. Hij bouwt zijn eerste orgel voor de parochie van Beek-Ubbergen. Abraham Meere heeft in totaal ca. 40 orgels gebouwd. Na zijn overlijden in 1841 wordt de zaak voortgezet door zijn kleinzoon Abraham Meere jr. (1817-1849). In een advertentie belooft hij “eene solide en exacte bediening”. Als Meere jr. overlijdt en er geen opvolgers zijn, wordt de zaak op 22 januari 1851 publiekelijk verkocht.

Auteur: Jouke Posthumus

Bronvermelding:

Jongepier, Jan (1977) ‘Utrechtse concurrentie. Het werk van Meere, Beekes en Lindsen’, in: Langs Nederlandse orgels. Noord-Holland, Zuid Holland en Utrecht. Baarn: Bosch en Keuning, p. 39-42.

Markesteijn, Johan van (1987) ‘Abraham Meere 1761-1841 orgelmaker’. Rijksuniversiteit Utrecht, februari.

Stramrood, Ar (2009) ‘Maree-Marree-Meere. Het nageslacht van Edme Mereij’, Bilthoven, p. 126-133.

Twillert, Willem van (1995) ‘Abraham Meere (1761-1841)’, in: De Orgelvriend, september.